De angst voor het onvermijdelijke
Wellicht is dit wel de meest pittige column die ik ooit heb mogen schrijven. Niet omdat de woorden moeilijk zijn, maar puur en alleen omdat het onderwerp dat wel is. De dood.
Van overleven naar leven. Stap voor stap jezelf weer terugvinden.
Wellicht is dit wel de meest pittige column die ik ooit heb mogen schrijven. Niet omdat de woorden moeilijk zijn, maar puur en alleen omdat het onderwerp dat wel is. De dood.
De mooiste herinneringen passen niet op een scherm…toch? Je kent het vast wel. Je bent een dagje weg, loopt door een gezellig stadje, staat op een festival of geniet van een concert waar je maanden naar hebt uitgekeken. Nog voordat het eerste nummer begint, zie je om je heen tientallen telefoons de lucht in gaan. Bij een zonsondergang gebeurt hetzelfde. Bij een vuurwerkshow. Tijdens een schoolvoorstelling. Op vakantie. Zelfs wanneer een kind voor het eerst zonder zijwieltjes fietst.
Er zijn momenten waarvan je denkt dat je ze nooit meer zult vergeten. De grote gebeurtenissen. Een diploma, een huwelijk, de geboorte van een kind, een afscheid, een nieuwe baan. We markeren ze in onze agenda's, hangen er foto's van aan de muur en vertellen er verhalen over op verjaardagen. Alsof juist die hoogte- en dieptepunten het leven vormen.
Wanneer je het hebt over Vivaldi, dan zijn de grootste clichés toch wel: De Vier Jaargetijden, violist, componist, opera, musicus. Dat is hij natuurlijk ook. Misschien zelfs één van de grootste die ooit heeft geleefd. Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat Vivaldi veel meer was dan alleen een componist van mooie klassieke muziek. Hij was iemand die het leven begreep. Niet theoretisch, niet filosofisch vanuit boeken, maar voelbaar. Bijna lichamelijk.
Afgelopen zondag was het Moederdag….Voor sommigen een hele mooie dag, voor anderen een doorn van herinneringen, verdriet…
Lieve sterke jij, je weet niet half hoeveel je in je macht hebt.
Hij is er nooit geweest. Hij heeft de lucht niet ingeademd, niet door de rijstvelden gelopen, niet gezwegen onder bloeiende kersenbomen. Hij heeft geen houten brug horen kraken in de ochtendmist, geen wind door bamboe horen bewegen, geen theekopje vastgehouden in een kamer waar stilte geen afwezigheid is maar een aanwezigheid. En toch voelde Vincent van Gogh dat Japan bestond als een manier van leven. Als een innerlijke ordening, een wereld waarin niets hoefde te schreeuwen om gezien te worden, waar eenvoud geen tekort was, maar een vorm van aandacht en waar schoonheid werd ontdekt.
Er bestaat in de Japanse cultuur een moment waarop woorden hun meest eerlijke vorm aannemen. Niet wanneer iemand verliefd is, niet wanneer iemand succes viert, maar wanneer iemand weet dat het einde nadert. Op dat punt, waar het leven dun wordt als rijstpapier en elke adem een bewuste handeling is, schrijven sommige mensen een laatste gedicht.
Er bestaat een Japanse fluistering die geen schreeuw nodig heeft, geen glans, geen perfect kader om gezien te worden. Die fluistering heet wabi-sabi. Een levenshouding die al eeuwen door de houten tempels van Kyoto waait, langs verweerde theekommetjes, over tatamimatten waar generaties knielden, langs mos dat zich zonder haast hecht aan steen. Wabi-sabi is de kunst van het zien wat er al is, zonder het te willen oppoetsen tot iets wat het nooit bedoeld was te zijn.
Kunst ontstaat op het moment dat de mens voelt dat de zichtbare wereld niet genoeg is. Dat er iets trilt onder de oppervlakte van wat we kunnen aanwijzen, benoemen, vastleggen. Spiritualiteit in de kunsten is een laag die je kunt toevoegen of weglaten, een onderstroom: het stille besef dat wat we ervaren groter is dan wat we begrijpen. Elke ware artistieke daad begint daar, in dat ongemakkelijke gebied waar taal stokt en betekenis zich nog niet heeft laten vastspijkeren. Kunst is dan geen representatie, maar een ontmoeting.
Soms voelt het leven als een stilstaand moment. Alsof je midden op een kruispunt bent blijven staan, niet omdat je niet weet welke kant je op wilt, maar omdat elke richting te veel lijkt te vragen. De angst om verkeerd te kiezen kan dan alles overnemen. Niet luid, niet dramatisch, maar sluipend. Ze nestelt zich in je lijf. In je adem die oppervlakkiger wordt. In je schouders die zich onbewust optrekken. In het gevoel dat elke beweging te groot is.
Het einde van het jaar sluipt altijd zachtjes binnen. Eerst onopvallend, ergens tussen de kortere dagen en de koudere nachten en ineens… is het er. Dat moment waarop we bijna automatisch achteromkijken. Alsof het jaar ons even bij de schouders pakt en vraagt: wat heb je gedragen, en wat heb je losgelaten?