Bloemen vertellen al eeuwen verhalen over liefde, rouw, vergankelijkheid en het leven. Ontdek de verborgen betekenis achter het bloemstilleven.
Floriografie is een complex woord voor iets wat in de kern eigenlijk heel eenvoudig is: bloemen kunnen iets vertellen. Al vanaf de vroege Barok werden planten en bloemen gebruikt om boodschappen over te brengen. Naast liefde, genegenheid of trouw uit te drukken, konden ze gebruikt worden om ook afkeer, verdriet, verlangen of zelfs haat te verbeelden. Een bloem werd daarmee meer dan een bloem. Ze werd een teken. Een stille vorm van communicatie voor datgene wat soms moeilijk hardop gezegd kon worden.
Misschien is dat ook precies waarom bloemen en kunst zo vaak samenkomen. Bloemen zijn van zichzelf al tijdelijk. Ze verschijnen, bloeien, verwelken en verdwijnen. In die korte levenscyclus zit iets wezenlijks van het menselijk bestaan besloten. We worden geboren, groeien, ontwikkelen ons, bloeien op en verdwijnen uiteindelijk weer. Het is daarmee niet per definitie dat het een sombere gedachte is, maar wellicht juist wel omdat vergankelijkheid nu eenmaal onderdeel is van het leven. Juist daarom zijn bloemen zo geschikt om iets over leven en dood te vertellen.
Dat wordt bijzonder zichtbaar in de bloemstillevens uit de zeventiende eeuw. Rond 1600 ontstond in het atelier van Jan Brueghel de Oude een van de vroege voorbeelden van dit genre. Bloemen werden met een enorme precisie vastgelegd, op een moment waarop bijvoorbeeld tulpen nog kostbare en exotische verschijningen waren. Brueghel werkte daarbij niet simpelweg naar een boeket dat voor hem op tafel stond. Hij verzamelde zijn bloemen gedurende verschillende seizoenen en schilderde iedere bloem op het moment waarop deze op haar mooist was. Maar ook schilders zoals Jan D.Z. de Heem, Ferdinand Delacroix en Paul Cézanne raakten geïnspireerd door de floriografie.
Omdat iedere bloem haar eigen bloeiperiode heeft, kon het boeket wat je op schilderijen ziet nooit werkelijk hebben bestaan.
Dat vind ik misschien wel het meest interessante aan zo’n stilleven. Wat eruitziet als één perfect samenhangend boeket, is in werkelijkheid opgebouwd uit verschillende momenten in de tijd. Een bloem die in het voorjaar bloeit, staat naast een bloem die pas maanden later haar hoogtepunt bereikt. Het schilderij brengt dus iets samen wat in de werkelijkheid nooit tegelijkertijd aanwezig kon zijn. Het is een geconstrueerde werkelijkheid, samengesteld uit losse momenten die elkaar in het echte leven nooit hadden kunnen ontmoeten.
Daarmee wordt het bloemstilleven bijna vanzelf een metafoor voor het leven. Ook een mensenleven bestaat uit verschillende momenten die achteraf één geheel lijken te vormen. We kijken terug en noemen het een leven, maar tijdens het leven zelf bestaat het alleen uit losse dagen, ontmoetingen, verliezen, keuzes en toevalligheden. Sommige mensen zijn er maar een korte periode, anderen blijven jarenlang. Sommige momenten voelen alsof ze eeuwig duren, terwijl ze achteraf nauwelijks meer zijn dan een paar seconden in het geheel.
De bloemstillevens sluiten daarmee aan bij de traditie van de vanitas: kunst waarin de vergankelijkheid van het leven en de onvermijdelijkheid van de dood zichtbaar worden gemaakt. Een bloem die prachtig openstaat, draagt tegelijkertijd al het moment van verwelken in zich. Dat maakt haar niet minder mooi. Ondanks het verwelken, zit de schoonheid van binnen.
Een bloemstilleven kan daardoor op het eerste gezicht een overvloed aan schoonheid zijn, terwijl er onder die schoonheid een veel ernstigere boodschap ligt. De bloem bloeit, maar zal verwelken. Het leven is aanwezig, maar de dood ligt er als vanzelf naast. Niet als tegenstelling die elkaar uitsluit, maar als twee kanten van hetzelfde bestaan.
Dat idee wordt nog interessanter wanneer je kijkt naar floriografie. In het Victoriaanse Groot-Brittannië groeide het ‘lezen’ van bloemen uit tot een sociaal fenomeen. Bloemen werden een cryptische taal waarmee mensen boodschappen konden overbrengen zonder ze letterlijk uit te spreken. De betekenis van een boeket werd bepaald door de combinatie van bloemen, hun kleur en hun symboliek. Basilicum kon bijvoorbeeld verwijzen naar haat of armoede, kamperfoelie naar geheime liefde en klimop naar trouw. De narcis kon staan voor ridderlijkheid en respect, maar kende ook betekenissen als eigenliefde en onverschilligheid. Daarmee wordt een boeket bijna een zin die je moet leren lezen.
Ook in schilderkunst werd deze taal ingezet. Zo zijn er verschillende schilderijen waarop mythologische verhalen verteld worden mede door die taal van bloemen. Neem bijvoorbeeld; Echo en Narcissus, waarin de klaproos verwijst naar Morpheus, dromen en eeuwige slaap, en de narcis naar eigenliefde en ijdelheid. In Venus en Adonis staat de anemoon voor vergankelijke liefde en de dood, terwijl de hyacint bij Hyacinthus verwijst naar rouw en verlies. De roos staat voor liefde en schoonheid, maar haar doornen tegelijkertijd voor pijn. Zo vertellen bloemen soms een heel verhaal zonder dat er één woord wordt gesproken.
De bloemen vertellen hier dus mee wat de personages zelf niet vertellen.
Dat brengt mij bij synesthesie. Een verschijnsel waarbij zintuigen als het ware in elkaar overlopen. Sommige mensen ervaren muziek als kleur, koppelen bepaalde klanken aan vormen of ervaren personen als specifieke kleuren. Anderen herkennen misschien iets van datzelfde principe in bloemen: niet alleen zien welke bloem iemand mooi vindt, maar bijna intuïtief een bloem koppelen aan een persoon, karakter of aanwezigheid. Alsof een bloem meer betekenis of gevoelswaarde draagt. Ieder boeket wat ik schilder, zorgt er daardoor ook voor dat het én om de personen gaan die me inspireren én over de boodschap die je ze wil meegeven. Zo laat het de gelaagdheid zijn voor hen waar het over gaat.
Dat is uiteindelijk wat mij zo aantrekt in de bloem als motief. Een bloem is concreet. Je kunt haar aanraken, ruiken, tekenen, schilderen of fotograferen. Maar tegelijkertijd draagt ze een hele geschiedenis aan betekenissen met zich mee. Liefde, trouw, verlangen, rouw, geboorte, dood, herinnering, schoonheid en vergankelijkheid kunnen allemaal in hetzelfde kleine object samenkomen.
We willen het leven soms graag zien als een compleet boeket: alles op zijn plaats, alle bloemen tegelijkertijd in bloei, niets verwelkt en niemand ontbreekt. Maar zo werkt het leven niet. Sommige bloemen verschijnen vroeg, andere pas veel later. Sommige blijven lang staan, andere zijn na korte tijd alweer verdwenen. En net als bij Brueghels onmogelijke boeket bestaat ons leven achteraf uit momenten die nooit allemaal tegelijkertijd hebben bestaan.
De dood maakt dat niet waardeloos. Integendeel. Juist omdat een bloem niet eeuwig bloeit, kijken we ernaar zolang ze er is.
Een bloem vertelt ons daarmee geen geheim dat we nog niet kennen. Ze herinnert ons aan iets wat we eigenlijk allang weten, maar wat we in de drukte van het dagelijks leven gemakkelijk vergeten: dat leven en dood niet los van elkaar staan. Dat bloei altijd tijdelijk is. Dat schoonheid niet onbeperkt hoeft te duren om betekenisvol te zijn.
En misschien is dat precies waarom een stille bloem zoveel kan zeggen.
Liefs,
💜
Liever luisteren dan lezen? Dat kan!
Reactie plaatsen
Reacties